Stap 1
Kies je werkwoorden
- Zwakverleden tijd met -te of -dewerken – werkte – gewerkt
- Sterkde klinker verandertlopen – liep – gelopen
- Onregelmatigeen heel eigen vormzijn – was – geweest
Stap 2
Kies je tijden
Elke tijd staat op zijn plaats op de tijdlijn, van verleden naar toekomst. Wil je de verleden tijd oefenen? Kies dan een tijd aan de kant van het verleden.
Stap 3
Kies je studiejaar
Welk jaar?
Oefening 1/10