Het Studentje

Nederlands · voorzetsels

Welk voorzetsel past in de zin?

Kies een onderwerp en begin bij oefening 1: elke volgende oefening is iets moeilijker. Na elke vraag zie je meteen of het juist is.

Eerst even de theorie: wat is een voorzetsel?

Een voorzetsel (prepositie) is een klein woord dat een verband legt: waar, wanneer, waarheen of met wie.

  1. Losse voorzetsels geven een plaats, tijd of richting. Je kiest ze zelf.De kat zit onder de tafel. · We vertrekken na de les.
  2. Vaste voorzetsels bij werkwoorden horen bij het werkwoord. Je leert ze samen.wachten op · denken aan · houden van · praten over
  3. Vaste voorzetsels in uitdrukkingen staan altijd in dezelfde combinatie.aan de beurt zijn · op tijd zijn · in je eigen tempo

Let op: wel of geen voorzetsel?Goed: Ik kijk tv. · Goed: Ik kijk naar een film op tv. · Fout: Ik kijk naar tv.

Swipe of klik op de pijltjes voor het volgende onderwerp.

0 juist
Toetsen 1–4
1 van 10

Klaar!

Oefenblad op papier

Kies een onderdeel en het aantal zinnen. De verbetersleutel staat op een aparte pagina.