Duits oefenen

Oefen de naamvallen en de sterke werkwoorden met korte rondes van 10 vragen. Na elk antwoord zie je meteen waarom. Voor de 2e en 3e graad secundair en voor volwassenen.

Oefen zelf

Kies je niveau en een onderdeel. Je beste score blijft op dit toestel bewaard, zonder account. Liever op papier? Print in de oefening een oefenblad met verbetersleutel.

De lidwoorden per naamval

Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief (wie?) der / ein die / eine das / ein die
Accusatief (wie of wat?) den / einen die / eine das / ein die
Datief (aan wie?) dem / einem der / einer dem / einem den (+n)
Genitief (van wie?) des / eines der / einer des / eines der

Veelgestelde vragen

Staat je vraag er niet tussen?

Stel je vraag via het formulier
  1. Hoe weet ik welke naamval ik moet gebruiken?

    Vraag je af welke rol het woord in de zin speelt. Het onderwerp staat in de nominatief, het lijdend voorwerp meestal in de accusatief en het meewerkend voorwerp in de datief. Na voorzetsels zoals mit, bei en zu volgt altijd de datief.

  2. Wat is het verschil tussen wo? en wohin?

    Bij in, auf, an en enkele andere voorzetsels hangt de naamval af van de vraag. Wo? (waar is iets) geeft de datief: Das Buch liegt auf dem Tisch. Wohin? (waar gaat iets naartoe) geeft de accusatief: Ich lege das Buch auf den Tisch.

  3. Welke sterke werkwoorden moet ik eerst kennen?

    Begin met de werkwoorden die je het vaakst nodig hebt, zoals sein, haben, gehen, kommen, fahren, sehen en sprechen. Leer telkens het rijtje: infinitief, präsens, präteritum en partizip II, samen met het hulpwerkwoord haben of sein.

Samen Duits oefenen?

We helpen je graag verder met bijles Duits, in Gent of online. Het kennismakingsgesprek is gratis en zonder verplichting.

Stuur je vraag via het contactformulier
Plan een kennismaking