Nederlandse werkwoorden oefenen

Hier kan je Nederlandse werkwoorden oefenen en leer je stap voor stap werkwoorden vervoegen. Met onze uitleg over de dt-regel kies je vlot tussen d, t of dt. Voor het 1e tot het 6e leerjaar, voor NT2 (A1 tot B2) en om op te frissen in 1MB en 2MB.

Oefen zelf

Kies je werkwoorden, de tijden en je studiejaar of NT2-niveau. De oefening past zich aan: meerkeuze, zelf typen of invullen in een zin. Je krijgt meteen uitleg. Gratis en zonder account.

Hoe vervoeg je een Nederlands werkwoord?

Een werkwoord vervoegen betekent dat je de vorm aanpast aan de persoon en de tijd. Je vertrekt altijd van de stam: de infinitief zonder -en (werken wordt werk, lopen wordt loop).

De tijden op een rij

Tijd Zo maak je hem Voorbeeld
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) stam (+ t) of infinitief ik werk, hij werkt, wij werken
Onvoltooid verleden tijd (ovt) stam + te(n) of de(n) ik werkte, wij speelden
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) hebben of zijn + deelwoord ik heb gewerkt, zij is gekomen
Voltooid verleden tijd (vvt) had of was + deelwoord ik had gewerkt, hij was gebleven
Toekomende tijd (ottt) zullen + infinitief ik zal werken, wij zullen werken

Zwak, sterk of onregelmatig?

Bij zwakke werkwoorden blijft de klinker gelijk en kijk je naar 't kofschip: de letters t, k, f, s, ch en p.

Stam eindigt op Verleden tijd Voltooid deelwoord
letter uit 't kofschip werkte, stopte, fietste gewerkt, gestopt, gefietst
een andere letter speelde, woonde, leerde gespeeld, gewoond, geleerd

Bij sterke werkwoorden verandert de klinker: lopen, liep, gelopen. Onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm: zijn, was, geweest en kopen, kocht, gekocht.

Zo weet je of het d, t of dt is

1. Zoek eerst de stam

Worden geeft word, vinden geeft vind. Die d blijft altijd staan.

2. Bij ik schrijf je enkel de stam

Ik word morgen twaalf. Achter ik komt nooit een t.

3. Bij hij, zij, het en u komt er een t bij

Mijn broer rijdt naar Gent. Zij houdt van tekenen. Ook jij vóór het werkwoord krijgt een t: jij vindt.

4. Staat jij of je achter het werkwoord? Dan valt de t weg

Vind je dit boek leuk? Bij hij blijft de t wel staan: Vindt hij dit boek leuk?

5. Verleden tijd: kijk naar 't kofschip

Kijk bij een v of z naar de infinitief: leven geeft leefde en reizen geeft reisde, want v en z staan niet in 't kofschip.

Let op: veelgemaakte fouten

Word je of wordt je? Betekent je hier jouw, dan blijft de t staan: Wordt je fiets hersteld? Lukt het met jouw, dan schrijf je dt.

Zwak werkwoord met een stam op t of d? In de verleden tijd schrijf je die letter dan twee keer: wachtte, antwoordde. Het deelwoord krijgt geen extra letter: gewacht, geantwoord.

Deelwoord of verleden tijd? De verbrande taart (deelwoord + e) is niet hetzelfde als Hij verbrandde de taart (verleden tijd).

Sterke werkwoorden krijgen geen -de of -te. Je schrijft hij liep (niet loopte) en wij vonden (niet vindden).

Veelgestelde vragen over Nederlandse werkwoorden

Staat je vraag er niet tussen?

Stel je vraag via het formulier
  1. Wanneer schrijf je d, t of dt?

    Zoek eerst de stam: de infinitief zonder -en. Bij ik schrijf je enkel de stam (ik word). Bij hij, zij, het, u en jij vóór het werkwoord komt er een t bij (hij wordt). Staat jij of je achter het werkwoord, dan valt die t weg (word jij). In het meervoud gebruik je de infinitief.

  2. Wat is 't kofschip en hoe gebruik je het?

    't Kofschip helpt je bij de verleden tijd van zwakke werkwoorden. Eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan schrijf je -te(n) en eindigt het voltooid deelwoord op -t: werkte, gewerkt. Bij andere letters schrijf je -de(n) en -d: speelde, gespeeld.

  3. Is het hij word of hij wordt?

    Het is hij wordt. De stam van worden is word, en bij hij, zij en het komt er altijd een t achter de stam. Twijfel je? Vervang het werkwoord door lopen: hij loopt. Hoor je een t, dan schrijf je die ook bij worden.

  4. Wat is het verschil tussen een zwak en een sterk werkwoord?

    Een zwak werkwoord houdt dezelfde klinker en krijgt in de verleden tijd -te of -de: spelen, speelde, gespeeld. Bij een sterk werkwoord verandert de klinker en komt er geen -te of -de: drinken, dronk, gedronken. Sterke vormen volgen geen vaste regel. Je leert ze het best door ze vaak te oefenen.

  5. Gebruik je hebben of zijn in de voltooide tijd?

    De meeste werkwoorden gaan met hebben: ik heb gewerkt. Werkwoorden die een verandering van plaats of toestand tonen, gaan vaak met zijn: ik ben gekomen, hij is gegroeid. Soms hangt het van de zin af: ik heb gefietst, maar ik ben naar school gefietst.

  6. Is deze werkwoordenoefening geschikt voor NT2 en het lager onderwijs?

    Ja. Je kiest je studiejaar, van het 1e tot het 6e leerjaar, of een NT2-niveau van A1 tot B2. De oefening past zich daaraan aan: meerkeuze, zelf typen of het werkwoord invullen in een zin. Ze is gratis en je hebt geen account nodig.

Samen oefenen?

We helpen je graag verder met bijles Nederlands of NT2-lessen, in Gent of online. Het kennismakingsgesprek is gratis en zonder verplichting.

Stuur je vraag via het contactformulier
Plan een kennismaking