Spelling oefenen

Spelling oefenen gaat vlot met korte rondes en duidelijke regels. Hier oefen je ei of ij, d of t, verkleinwoorden, hoofdletters en meer. Voor kinderen van het 1e tot het 6e leerjaar, gratis en zonder account.

Oefen zelf

Kies je leerjaar en een onderdeel. Je start op niveau 1 en werkt zo van makkelijk naar moeilijk. Je voortgang blijft op dit toestel bewaard, zonder account. Liever op papier? In de oefening print je ook een oefenblad.

Wat is spelling?

Spelling is hoe je een woord correct schrijft. Veel woorden schrijf je zoals je ze hoort. Bij andere helpt een regel. En soms onthoud je hoe een woord eruitziet: het woordbeeld.

Dit oefen je per leerjaar:

Leerjaar Regel Voorbeeld
1e leerjaar Korte of lange klank pen, peen
1e leerjaar ie of i pit, piet
2e leerjaar ei of ij geit, ijs
2e leerjaar au of ou pauw, goud
2e leerjaar -d of -t op het einde bed (bedden), pot (potten)
3e leerjaar g of ch weg (wegen), licht
3e leerjaar Medeklinker verdubbelen pop, poppen
3e leerjaar Open en gesloten lettergreep boom, bomen
4e leerjaar Meervoud: -en, -s of 's huizen, lepels, menu's
4e leerjaar Verkleinwoorden kopje, deurtje, raampje, ringetje
5e leerjaar Hoofdletters Antwerpen, de Schelde, maar: dinsdag
5e leerjaar c, k of s camping, cirkel
5e leerjaar -ig of -lijk nodig, gevaarlijk
6e leerjaar Trema en koppelteken Italië, naïef, na-apen

Meer achtergrond vind je in onze blog over spellingregels en tips.

Zo pak je spelling aan

1. Maak het woord langer

Twijfel je over de laatste letter? Zeg het meervoud. Het paard staat in de wei. Paard wordt paarden, dus schrijf je d. Zo kies je ook tussen g en ch: berg wordt bergen.

2. Klap de lettergrepen

Klap het woord in stukjes: bo-men, zak-ken. Lange klank aan het einde van een stukje? Eén letter. Korte klank? Verdubbel de medeklinker. De zakken staan bij de bomen.

3. Kijk naar het woordbeeld

Voor ei of ij en au of ou bestaat geen regel. Schrijf twijfelwoorden op een kaartje en lees ze vaak. Mijn kleine broer eet rijst.

4. Lees je zin hardop na

Begint de zin met een hoofdletter? Staat er een naam in? Op woensdag fietsen we naar Brugge.

5. Oefen kort en vaak

Een paar minuten per dag houdt het leuk. Een ronde in onze oefening telt maar 10 vragen.

Let op: deze verwarren we vaak

d of t bij werkwoorden werkt anders. Bij hond maak je het woord langer. Voor hij vindt gebruik je de werkwoordspelling: die oefen je op Nederlandse werkwoorden.

Dagen en maanden krijgen geen hoofdletter. Je schrijft maandag en april. Feestdagen wel: Pasen en Kerstmis.

Een apostrof in het meervoud? Alleen als het woord eindigt op a, i, o, u of y: foto's, baby's. Bij tafel schrijf je gewoon tafels.

Veelgestelde vragen over spelling

Staat je vraag er niet tussen?

Stel je vraag via het formulier
  1. Hoe kan mijn kind thuis spelling oefenen?

    Kies een onderdeel dat nu in de klas aan bod komt en speel een korte ronde in onze spellingoefening. Bekijk daarna samen de fouten: welke regel hoort erbij? Schrijf lastige woorden op een kaartje en herhaal ze de volgende dag.

  2. Welke spellingregels leer je in welk leerjaar?

    Het 1e leerjaar start met korte en lange klanken. In het 2e en 3e leerjaar volgen ei of ij, d of t, g of ch en verdubbelen. Daarna komen meervoud, verkleinwoorden, hoofdletters, -ig of -lijk en in het 6e leerjaar trema en koppelteken. Elke school kiest haar eigen volgorde.

  3. Wanneer schrijf je ei en wanneer ij?

    Daar bestaat geen vaste regel: ei en ij klinken hetzelfde. Je onthoudt dus het woordbeeld. Dat lukt het best door veel te lezen en twijfelwoorden apart te oefenen, zoals trein, klein, tijd en wijn. Een grappige zin met het woord helpt ook.

  4. Hoe weet je of een woord eindigt op d of t?

    Maak het woord langer, door het meervoud te zeggen. Hoor je dan een d, dan schrijf je d: bed wordt bedden. Hoor je een t, dan schrijf je t: pot wordt potten. Let op: bij werkwoorden zoals hij vindt gelden de regels van de werkwoordspelling.

  5. Wanneer schrijf je een woord met een hoofdletter?

    Je schrijft een hoofdletter aan het begin van een zin en bij namen. Denk aan personen, dieren, steden, landen, straten, rivieren, talen, inwoners en feestdagen: Gent, de Leie, Pasen. Dagen van de week, maanden en seizoenen krijgen geen hoofdletter: vrijdag, mei, zomer.

  6. Hoeveel tijd per dag spelling oefenen is genoeg?

    Een vaste duur bestaat niet. Korte momenten werken voor veel kinderen prettig: een of twee rondes van 10 vragen zijn al een mooie oefening. Oefen liever een paar keer per week kort dan één keer heel lang. Zo blijft spelling oefenen leuk.

  7. Kan ik gratis spellingoefeningen printen?

    Ja. In onze spellingoefening kies je een leerjaar en een onderdeel en print je een oefenblad met invullijnen. De verbetersleutel staat op een aparte pagina, zodat je kind eerst zelf werkt. Je kan ook de regel bovenaan laten zetten. Alles is gratis, zonder account.

  8. Bieden jullie ook bijles spelling aan?

    Ja. Onze bijlesgevers oefenen spelling op het tempo van je kind, met heldere uitleg en oefeningen op maat. We bouwen stap voor stap verder op wat je kind al kan, in Gent of online. Het kennismakingsgesprek is gratis en zonder verplichting.

Samen oefenen?

We helpen je graag verder met bijles Nederlands, in Gent of online. Het kennismakingsgesprek is gratis en zonder verplichting.

Stuur je vraag via het contactformulier
Plan een kennismaking