Voorzetsels oefenen
Voorzetsels oefenen doe je hier met korte uitleg, eigen voorbeelden en gratis oefeningen. Wacht je op de bus of naar de bus? Voor leerlingen van 1MB en 2MB en voor iedereen die Nederlands leert (NT2).
Wat is een voorzetsel?
Een voorzetsel is een klein woord dat twee dingen in een zin met elkaar verbindt. Het vertelt waar iets is, wanneer iets gebeurt, waarom of hoe. Een voorzetsel staat bijna altijd vóór een woordgroep: onder de tafel, na de les, met de fiets.
| Soort | Waarvoor? | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Plaats | waar iets is | De sleutel ligt onder de mat. |
| Richting | waar iets naartoe gaat | We fietsen naar het park. |
| Tijd | wanneer iets gebeurt | Na de training eten we pasta. |
| Reden of oorzaak | waarom | Dankzij jouw tip vonden we de weg. |
| Middel of manier | hoe | Ze schrijft met een groene pen. |
Zo herken je een voorzetsel
- Er volgt een woordgroep. Na een voorzetsel komt een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord: achter het station, bij ons.
- Het woord verandert nooit. Een voorzetsel krijgt geen meervoud en wordt niet vervoegd. Tussen blijft altijd tussen.
- De doos-truc. Past het woord in de zin De kat zit … de doos? Dan is het een voorzetsel van plaats: in, op, onder, naast, achter, voor.
- Stel een vraag. Vraag waar, wanneer, waarom of hoe. Begint het antwoord met een klein woordje, dan is dat meestal het voorzetsel: Wanneer? Tijdens de pauze.
Let op: veelgemaakte verwarringen
Voorzetsel of deel van een werkwoord? In Ik bel je vanavond op hoort op bij het werkwoord opbellen. Er volgt geen woordgroep. In Het boek ligt op de kast is op wel een voorzetsel.
Vaste voorzetsels bij werkwoorden. Bij sommige werkwoorden hoort altijd hetzelfde voorzetsel: wachten op, denken aan, houden van, zorgen voor. Die combinaties leer je het best samen, als één geheel.
Er, daar en waar. In plaats van op het zeg je vaak erop: Ik wacht erop. Het voorzetsel plakt dan vast aan er, daar of waar: daarmee, waarover, ervoor.
-
Wat is een voorzetsel?
Een voorzetsel is een klein woord dat een verband legt tussen woorden in een zin. Het vertelt waar iets is, wanneer iets gebeurt, waarom of hoe. Denk aan in, op, onder, na, door en met. Een voorzetsel staat meestal vóór een woordgroep, zoals in onder de tafel of na de les.
-
Hoe herken je een voorzetsel in een zin?
Zoek een klein woord dat vóór een woordgroep staat en nooit van vorm verandert. Stel daarna de vraag waar, wanneer, waarom of hoe. Begint het antwoord met dat woordje, dan heb je meestal een voorzetsel. Voor plaats helpt de doos-truc: past het woord in De kat zit … de doos?
-
Is "dankzij" een voorzetsel?
Ja. Dankzij is een voorzetsel dat een positieve reden geeft: Dankzij jouw hulp is het werk af. Gaat het om iets vervelends, dan gebruik je door of wegens: Wegens de staking rijdt de tram niet. Kies dankzij dus alleen als het resultaat iets goeds is.
-
Hoe weet je welk voorzetsel je moet gebruiken?
Bij plaats, tijd en richting kies je op basis van de betekenis: onder de brug, na het eten, naar huis. Bij vaste combinaties werkt dat niet en leer je de combinatie uit het hoofd, zoals wachten op of denken aan. Twijfel je? Een woordenboek toont welk voorzetsel bij een werkwoord hoort.
-
Wat is een vast voorzetsel bij een werkwoord?
Sommige werkwoorden hebben altijd hetzelfde voorzetsel bij zich. Je wacht op de bus, je denkt aan je vakantie en je houdt van muziek. Dat voorzetsel kan je niet vervangen zonder dat de zin fout of vreemd wordt. Leer zo'n werkwoord daarom meteen samen met zijn voorzetsel, als één geheel.
-
Wat is een voorzetselvoorwerp en hoe herken je het?
Een voorzetselvoorwerp is een zinsdeel dat begint met het vaste voorzetsel van het werkwoord. In Ik zorg voor mijn broertje is voor mijn broertje het voorzetselvoorwerp. Je vindt het met een vraag die dat voorzetsel gebruikt: voor wie zorg ik? Kan je het voorzetsel niet zomaar vervangen, dan zit je juist.
-
Wat is het verschil tussen een voorzetsel en een deel van een scheidbaar werkwoord?
Een voorzetsel staat vóór een woordgroep: Hij klimt op het dak. Een deel van een scheidbaar werkwoord staat vaak los achteraan, zonder woordgroep erachter: Hij belt zijn oma op. Zet het werkwoord in de infinitief. Plakt het woordje er vast aan, zoals bij opbellen, dan hoort het bij het werkwoord.
-
Is er een handig trucje om voorzetsels te onthouden?
Voor plaats werkt de doos-truc goed: alles wat een kat kan doen tegenover een doos, is een voorzetsel. De kat zit in, op, onder, naast of achter de doos. Voor vaste combinaties maak je het best zelf een grappige zin, en oefen je kort maar vaak.
Geen vraag gevonden. Stel je vraag via het formulier.
Samen voorzetsels oefenen?
We helpen je graag verder met bijles Nederlands of NT2-lessen, in Gent of online. Het kennismakingsgesprek is gratis en zonder verplichting.