Het perfectum oefenen
Oefen het perfectum, de voltooid tegenwoordige tijd: ik heb gewerkt, ik ben gegaan. Je vult telkens hebben of zijn en het voltooid deelwoord in een zin in en krijgt meteen uitleg. Gratis, voor NT2 van A2 tot B1.
Zo maak je het perfectum
Het perfectum is hebben of zijn + voltooid deelwoord. Het deelwoord staat achteraan in de zin: We hebben gisteren samen gekookt.
1. Hebben of zijn?
Meestal is het hebben: Ik heb een brief geschreven. Je kiest zijn bij een verandering van plaats of toestand, en bij blijven, worden en zijn: Ze is naar Brugge verhuisd. Mijn zoon is ziek geworden. We zijn thuis gebleven.
Let op bij beweging: zonder doel is het hebben, met een doel zijn. Ik heb een uur gefietst. Ik ben naar het station gefietst.
2. Eindigt het deelwoord op t of d?
Bij regelmatige werkwoorden is het ge + stam + t of d. Eindigt de stam op een letter uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan schrijf je een t: gewerkt, gestopt. Anders een d: gespeeld, gewoond.
Kijk naar de infinitief, niet naar wat je hoort: verhuizen geeft verhuisd, leven geeft geleefd.
3. Geen ge- bij be-, ge-, her-, er-, ont- en ver-
betalen: betaald, gebeuren: gebeurd, herhalen: herhaald, ontmoeten: ontmoet, vertellen: verteld.
4. Scheidbare werkwoorden: ge- in het midden
opbellen: opgebeld, meenemen: meegenomen, aankomen: aangekomen.
5. Onregelmatige deelwoorden leer je van buiten
gaan: gegaan, zien: gezien, eten: gegeten, kopen: gekocht, denken: gedacht, brengen: gebracht.
Samen je Nederlands oefenen?
We helpen je graag verder met Nederlandse les, in Gent of online. Het kennismakingsgesprek is gratis en zonder verplichting.